Roadburn 2026 – 013 Tilburg – donderdag 16 april 2026
“het wordt steeds moeilijker om Roadburn in een hokje te stoppen”
Het vaste team van Arrow Lords of Metal is weer afgedaald naar Tilburg voor wat zo afgezaagd een jaarlijkse pelgrimage naar het Roadburn festival wordt genoemd. Dat is een cliché met een baard zoals je er best veel op Roadburn ziet, al is dit festival voor veel van de vaste bezoekers inderdaad een bijna religieuze of op zijn minst extatische ervaring. Al valt het aantal keer dat we Roadburn bezocht hebben niet meer op twee handen te tellen, het is nog altijd niet gewoon. Gelukkig maar. Ook al zijn er tegenwoordig tal van navolgers, Roadburn is en blijft de plek waar je nieuwe en onverwachte acts het eerst ziet. Dat is dit jaar niet anders.
14 mei 2026 I Tekst: Jan-Simon Hoogschagen en Bas Smit fotografie: Edwin Hoogschagen, Bas Smit
Zoals dat gaat op zo’n eerste dag gaat veel tijd op aan het verkennen van de locaties. Ieder jaar wordt er wat verbouwd aan het Spoorzonecomplex en waar de boel vorig jaar nog volop in de steigers stond, was alles nu gerepareerd, waardoor er meer ruimte was voor de merch en het binnen rondhangen. De Roadburn merchandise ging, zoals altijd, weer erg hard dus wie wat wilde moest er vroeg bij zijn. De crew deed zijn uiterste best en had nog tijd voor een praatje en een geintje. Bij deze is ook de belofte ingelost: jongens, jullie worden genoemd in de recensie! Naast de T-shirts stond de man die verantwoordelijk was voor de visuals dit jaar, Douwe Dijkstra, met een aantal prachtige zeefdrukken. Een negenkleuren zeefdruk, dat maak je niet zomaar even, dus als het op was, was het ook echt op, vertelde hij heel bescheiden. Na nog wat volkomen terechte complimenten wensten we Douwe goede zaken en verlieten we de markt.
Het is een belangrijke vaststelling: op een festival zoals Roadburn moet je gewoon accepteren dat je niet alles kunt zien. Als je last hebt van FOMO, Fear Of Missing Out, dan is dit niet de juiste plaats. Dat was altijd al zo en leek dit jaar zelfs nog een tandje erger te zijn. De keuze is altijd: volg je de vooraf door de organisatie uitgestippelde routes of kies je je eigen weg door het oerwoud dat blokkenschema wordt genoemd? Als je dat laatste doet, dan mis je dingen.
Nog zo’n conclusie van een bezoek aan het festival dat al sinds 2005 Tilburg in de maand april op zijn kop zet: het wordt steeds moeilijker om Roadburn in een hokje te stoppen. Je zou bijna denken dat ze het er om doen. Een stoner en doom festival is het al jaren niet meer, al zijn er ook dit jaar diverse bands die wel degelijk een dergelijk etiket verdienen. Maar je kunt ook dagen, misschien wel het hele festival, rondlopen zonder ook maar een tremolo black metal riff of over the top gitaarsolo’s te horen. Het hangt er maar vanaf wat voor keuzes je maakt, hoe je van de ene naar de andere zaal loopt.
Dat begon al meteen op de donderdagmiddag. Omdat we niet overal tegelijk konden (of wilden) zijn, lieten Jan-Simon en Edwin de openers van het festival Crippling Alcoholism links liggen. Bas was er wel. De band speelde woensdag ook al samen met The Bird Experience en Bad Breeding op The Spark, het gratis toegankelijke opwarmavondje van Roadburn in de kleine zaal van 013, maar in tegenstelling tot de voorgaande twee edities waren we daar dit keer niet bij. Wij worden er ook niet jonger op en de week erna moest worden afgereisd naar het ouwelullenmetalfestival Keep It True in Zuid-Duitsland. Keuzes, keuzes…
Crippling Alcoholism uit Boston speelde voor een behoorlijk gevulde Terminal (maximale capaciteit 3500 man, vrouw en non-binair) hun tweede set op Europese grond (de eerste was dus de avond ervoor). Niet belast met enige voorkennis over hun muziek, probeerde ik, vanachter het mengpaneel, chocola te maken van hun wat lastig te definiëren geluid. Het leek op een variant van gothic metal met een nu metal vibe en met een opvallend grote rol voor synths en her en der wat noisy elementen. Zanger Tony Castrati deed zijn naam weinig eer aan, want hij had juist een erg donkere, wat blafferige stem. Niet eentje die ik live enorm vond aanspreken. De songs kwamen wat grillig en structuurloos over, maar dat zal de complexiteit van de composities zijn en behoeft wellicht nadere beluistering thuis. Het was, van een grote afstand bekeken, een aardige, maar geen bijzonder memorabele kennismaking. De man die in het Front of House verantwoordelijk was voor de backdrop had een spuugmakkelijk uurtje, want op zijn monitor en dus achter de band was alleen de paarsgekleurde hoes van hun laatste album ‘Camgirl’ te zien. Hij was dan ook meer bezig met zijn telefoon. De lichttechnicus sloot naadloos aan op de albumhoes, zodoende was het gehele optreden gehuld in een purple rain van licht. Eerder dit jaar hadden wij een interview met een aantal leden van de organisatie van Roadburn [linkje naar het interview?], waarbij we het hadden over het volume op het festival. De geluidstechnicus hield woord en hield zich keurig netjes aan het maximum volume van 103 dB. Althans, grotendeels…
Vervolgens liep ik naar de The Engine Room (maximale capaciteit 1500 individuen) waar de nog jonge leden van The Shearling uit Los Angeles met hun laatste soundcheck bezig waren. Ook met deze band was ik volstrekt onbekend, maar hun debuutalbum ‘Motherfucker, I Am Both: “Amen” And “Hallelujah”…’ steekt qua (geniale) titel, artwork en songlengte (want slechts één song van een uur) Godspeed You! Black Emperor naar de kroon. Dat schept verwachtingen. Nadat ze weer terugkeerden op het podium, nu voor het eggie, bleken ze echter uit een heel ander vaatje dan GY!BE te tappen. Het was grillig, explosief, vocaal (al was het meer parlando van gezongen) en op een noisy wijze bij tijd en wijle erg experimenteel. Soms leek het alsof Swans een avant-folk-versie maakte van een Chat Pile nummer. Sommige stukken loeiden brulhard door de zaal, maar andere duurden ook ein-de-loos lang. De band vond blijkbaar een bepaalde minimalistische hook zó interessant om die gruwelijk lang te herhalen, te herhalen, te herhalen, te herhalen, etc. etc., terwijl die riff al bij de eerste keer erg saai was. Dat haalde me zo uit hun post-apocalyptische rock dat het plezier steeds verder wegebde. Op naar de Main Stage dan maar.
Jan-Simon en Edwin startten hun Roadburn donderdag met Iskandr, een experimenteel dark doom folk trio onder leiding van Omar Kleiss, ook bekend als O. en (dus) Iskandr, die vooral bekend is van zijn gitaarwerk bij Dool, Turia en Solar Temple. Iskandr is een heel ander beestje, er kwam op het podium geen gitaar of drumstel aan te pas. In plaats daarvan een shruti box voor de drones, een trompet, trombone en loopers waarmee vooral op sfeer werd ingezet. Het resultaat, een bijzondere opening met songs waar je je geen buil aan kon vallen. Dat Iskandr zich waagde – en vergaloppeerde – aan een cover van ‘Verdronken Vlinder’ van Boudewijn de Groot viel pas halverwege het nummer op. Het was misschien iets te hoog gegrepen. De eigen songs (er vanuit gaand dat dit géén covers waren) vielen meer in de smaak, al maakte het geen heel grote indruk.
Door naar het grote podium waar de eerste van een indrukwekkende rij (Roadburn-) legendes aftrapte. Krallice was gevraagd om als Artist in Residence meerdere shows te doen, waaronder een set speciaal geschreven voor Roadburn. Dit stukje “Commissioned Music” was gekoppeld aan het overkoepelende thema voor deze editie van het festival, “Past, present and future” en richtte zich op de toekomst, Future. Het was degelijke, tegen de genregrenzen aanschurkende black metal die de heren brachten. Degelijk en op dit festival vreemd genoeg veilig bekend klinkend, maar na een kwartier of zo overheerste bij ons het gevoel dat het er weinig verandering zat in hetgeen Krallice liet horen. Bas zag juist het laatste half uur van de band. Ondanks het bijzonder technisch ogend gepiel van de bandleden en de waardering voor hun albums (ik had nota bene een maand geleden nog een tweetal ouwe lp’s van de band aangeschaft), wist de drukke blackmetal – die de rechtergitarist op nogal droogkloterige wijze aankondigde met: “This is our future set, so all these songs have never been played.” – niet dezelfde impact op mij te maken als hun oudere werk. Ik kreeg zelfs een beetje het gevoel steeds naar hetzelfde nummer te luisteren. Of eigenlijk geen nummers, maar meer een aaneenschakeling van losse ideeën. Ik vond de zangpartijen van bassist Nick McMaster ook niet overtuigend. In onze Roadburn-app hadden we na afloop wel hetzelfde oordeel klaar over dit optreden en die was welluidend en diep doordacht als volgt geformuleerd: “Mwoah.”
Het was daarom tijd voor Jan-Simon en Edwin om, voor de eerste keer dit festival, over te steken van 013 naar de Koepelhal aan de andere kant van het spoor om te zien wat daar gebeurde. Pain Magazine was al enige tijd bezig en aan de lange rij voor de ingang van de zaal te zien waren de verwachtingen hoog. We verzonnen een list en waren relatief snel binnen. Pain Magazine, een samenwerking tussen de Franse post-hardcore band Birds in Row en het industrial techno duo Maelstrom & Louisahhh, was een band waarbij de som iets heel anders was dan de onderliggende delen. Af en toe was nog een vlaagje post-hardcore te horen, maar industrial techno – ik heb het niet gehoord. Het was vooral een spelletje Hitster voor gevorderden waarbij wij het ene moment uitkwamen bij Anne Clark met Skinny Puppy als begeleidingsband en het volgende bij een soort van Propaganda kloon. Voor wie niet zo goed is in gevoerd in de muziekhistorie: een mengsel van alternatieve eighties en electronic body music met een licht metalen sausje. Ondanks dat het vooral en steeds aan allerlei half vergeten indie iconen deed denken, was het vermakelijk en best goed gedaan. Het eerste voorbeeldje van een ontdekking die je niet ziet aankomen maar er altijd is op Roadburn. Bas vond het zelfs een van de hoogtepunten van de eerste dag en ook een bewijs dat bands live en op plaat heel anders kunnen overkomen. Waar bijvoorbeeld Krallice live ietwat tegenviel, maar (althans vroeger) op plaat indruk maakt, daar bleek Pain Magazine hun muziek live veel beter over te brengen dan dat ze dat op hun album ‘Violent God’ wisten vast te leggen.
Waar van te voren al wel een groot uitroepteken bij was gekrabbeld in het schema, was de show van de Noord-Engelse noiserock meets sludge formatie met de onmogelijke maar wel unieke en herkenbare naam Pigs Pigs Pigs Pigs Pigs Pigs Pigs. Vergeef het ons dat we in het vervolg Pigs x 7 schrijven. Een eerste full album set, waarbij de band van voor naar achter door het vorig jaar verschenen ‘Death Hilarious’ ging. Met een uiterst energieke Matt Baty als voorganger was dit op alle punten raak. Een strakke band die riffs die in gelijke mate stoner, noiserock en sludge metal aantikten combineerde met de plezierige gekte van een zanger die niet om een praatje verlegen zat en bovendien als een wervelwind over het podium raasde.
14 Jaar geleden besloten de mannen van Pigs x 7 als bezoekers van Roadburn dat ze ook een fucking band moesten beginnen en lo and behold, na al die jaren staan ze er als act. Op het hoofdpodium nota bene! ‘Death Hilarious’ is een degelijk album dat als belangrijkste unique selling point heeft dat het naadloos aansluit bij de huidige herontdekking van noiserock, met Chat Pile als onverwachte vaandeldrager. Dat Pigs x 7 al wat langer meedraait en muzikaal net iets meer te bieden heeft, een kniesoor die daar een punt van maakt. De combinatie van schurende, gruizige riffs met verzengende solo’s en aan genrelegendes als Killdozer herinnerende klanken maakte dit een terechte invulling van het hoofdpodium.
Nadat Pigs x 7 klaar was konden we gelijk door naar de kleine zaal waar Bas zich al voor het podium had genesteld vanwege het feit dat de Zweedse formatie Fauna, een negental uit het met ongelooflijk veel interessante bands gezegende Göteborg (vandaar de toevoeging GBG) aan het soundchecken was. Dat de band niet één, niet twee maar zelfs vier dames in de gelederen had was voor Bas interessant genoeg om te kijken. Vooraf had Fauna interesse gewekt met de paar nummers die met wat moeite terug te vinden waren op Spotify. De informele bandnaam Fauna (GBG) werd ineens overduidelijk gezien het oerwoud van Fauna’s, maar qua muziek is deze Zweedse volksverhuizing zonder meer uniek. Met drie percussionisten, vier zelfs als de drummer wordt meegeteld, een fluitiste en een zangeres die – af en toe zwaar vervormd – Arabische teksten zong bracht de band een wonderlijke psychedelische mix van Midden Oosten techno en krautrock en gezonde Zweedse gekte. Een scheutje Goat, een snufje Can en een flinke schep Altin Gün dus. Een soort van muzikale vertaling van de melting pot die de meeste grote Zweedse steden tegenwoordig zijn waarin tabla’s prima met een nyckelharpa samengaan. Dit was geen muziek voor aanhangers van populistische partijen die achter door AI gegenereerde deuntjes over AZCs aanlopen, dit was überswingende etno trance dance rock. Van begin tot einde was het een feestje op het podium, waar het met negen man behoorlijk dringen was. Het was kosmisch – zoals je dat in krautrocktermen hoort te zeggen met hoofdrollen voor de frontdames zangeres Alexandra Shabo (zus van de bandleider bassist Ibrahim “Ibbe” Shabo) en de fluitiste. Er zijn links met illustere andere Göteborgse bands zoals Uran GBG die een jaar of zeven geleden het hoofdpodium van Roadburn onveilig maakten, maar de conclusie was dat – voor zover we het hebben kunnen nagaan (sorry Habak, sorry Dead Neanderthals, jullie pasten helaas niet meer in ons schema) – Fauna (GBG) een van de onverwachte hoogtepunten van de dag was. Bas kon daarna zijn shirt uitwringen, die was drijfnat van het dansen.
Weer naadloos in elkaar overgaand – zelden hebben we een dergelijk integraal en veeleisend schema gezien! – konden we weer oversteken naar de grote zaal waar de Roadburn coryfeeën en veteranen Ufomammut hun opwachting deden. We zagen ze een kleine twintig jaar geleden al eens op het festival toen het nog vooral stoner was wat de klok sloeg. Ufomammut paste toen precies in het plaatje en het werd al verteld door Walter in ons interview, de relatie Ufomammut – Roadburn is ongeveer even oud als Roadburn zelf. Het idee was dat de Italiaanse tovenaars van de ultraheavy sludge soundscapes waar ze zich in hebben gespecialiseerd iets anders dan normaal zouden brengen, anders hoefden ze niet te komen. Eerlijk gezegd viel dat “anders” erg mee. Of tegen, naar gelang je insteek en verwachtingen. Geen akoestische versies van bandklassiekers dus en ook geen radicaal andere arrangementen waarin alles twee keer zo snel (of langzaam) ging. Nee, dit was eigenlijk vintage Ufomammut, wat uitgebeender dan normaal en met wat meer ruimte voor de Pink Floyd fetisj die altijd verborgen heeft gezeten in hun muziek, inclusief Hawkwind achtige sciencefiction spacerock piepjes en tuutjes. De visuals waren ook als vanouds, dus geweldig. Dat kun je met een gerust hart aan Ufomammut overlaten. In een verloren uurtje (het was echt zoeken naar de tijd) glipten we nog even de tentoonstellingsruimte in waar het grafisch werk van Malleus (= Ufomammut) te bewonderen viel.
Bas was na de Italiaanse betonsludge van Ufomammut weer naar de andere kant gehobbeld om daar de Japanse legendes Acid Mothers Temple – voor het eerst op Roadburn na al die jaren – te bewonderen. Ja, voor de eerste keer. Gek eigenlijk, je zou verwachten dat (voluit) Acid Mothers Temple & The Melting Paraiso U.F.O. (afgekort: AMT) in hun dertigjarig bestaan al minstens een paar keer op Roadburn had gestaan. De band is/was met hun eclectische psychedelische escapades tenslotte dé Aziatische belichaming van Roadburn en het festival heeft ook doelbewust een paar edities gehad waarin het bol stond van de Japanse bands (2018 en vorig jaar), maar afgezien van het project Acid Mothers Guru (waarbij twee leden van AMT in 2008 samenspeelden met Mani Neimeier van Guru Guru) heeft AMT nooit op Roadburn gestaan. Dus eindelijk! En de verwachtingen waren hoog. Ook omdat hun optreden in 2024 in het Utrechtse dB’s behoorlijk verpletterend was. Letterlijk zelfs, ik werd fysiek een meter naar achteren geblazen toen de band uit de startblokken en de speakers knalden. Om de schade in te halen speelt AMT liefst drie sets op Roadburn – geheel volgens het thema een past, present en future set – en hebben ze als speciale bonus ook nog Cotton Casino meegenomen, zangeres van het eerste uur en voor het eerst sinds 2004 weer met de band op het podium. Wat een feest!
De feeststemming was echter van korte duur. Al stonden er liefst zeven mensen op het podium van The Engine Room, drie hiervan leken voor spek en bonen mee te doen. Alle drie hadden ze een gitaar in de hand, maar hun geluid werd volledig ondergesneeuwd door het drum- en basgeluid. Maar bovenal door de spacey bliepjes en piepjes van Hiroshi Higashi, die vanachter zijn synthesizer als een grijzende Mr. Miyagi de koers bepaalde. Nu zijn de psychedelische synth-tapijten een meerwaarde van de band, maar niet als dat volledig de boven- en middentoon voerde. Tevens bleek de comeback van Cotton Casino beter op papier te werken dan op het podium. Ik vond haar stem erg vervelend, hinderlijk zelfs, ze heeft zo’n typisch en kenmerkend Aziatische vrouwenstem: iel, hoog en kinderlijk. Het leek alsof ze er maar wat op los improviseerde, al sluit dat ook wel aan bij wat de band liet horen. Maar na een half uur droop ik toch wat gedesillusioneerd af. Dit was anders, héél anders dan anderhalf jaar geleden in dB’s. Dit was dan ook een ‘past’-set, de tweede dag geven ze een ‘present’-set die vast meer van de huidige rauwheid en explosiviteit laat horen, maar dan clasht de band met Slow Crush.
Jan-Simon en Ed kozen ervoor om even snel wat te eten naar binnen te schrokken om op tijd terug te zijn voor nog weer zo’n hoogtepuntje als Fauna. Een volgende Roadburn klassieker stond op het hoofdpodium voor een eerste van twee sets. Cult of Luna is net zo nauw verbonden met het festival als Ufomammut, misschien nog wel meer, ze waren al in 2008, 2013 en 2016 te bewonderen en in 2018 deden ze het nog eens dunnetjes over met Julie Christmas. Nu dus voor de vijfde keer met een eerste “Early Era” set, waarin uitsluitend songs van de eerste vijf albums. Het stof was ervan af geblazen en het resultaat was een retestrakke, voor velen in het publiek cathartische set vol woeste post-metal. Cult of Luna is, in tegenstelling tot de muziek die ze maken, een uiterst nuchtere band. Zou het hun afkomst zijn, ze komen uit het hoogste noorden van Zweden, waardoor ze hun expansieve post metal zo zonder poespas over de menigte uitstorten? Cult of Luna is in ieder geval een ervaring, muziek waarin je, als je jezelf er voor openstelt, volledig kunt opgaan. Zanger Johannes Persson is de verpersoonlijking van die ogenschijnlijke contradictie: aan de ene kant een doe maar gewoon dan doe je gek genoeg houding en anderzijds een over-mijn-lijk overgave zoals je die zelden ziet.
Zelf stond ik niet zo open voor de ervaring en vluchtte na een tijdje naar de no-nonsense anarcho crust punk metal van Bad Breeding, die na een aantal mislukte pogingen (denk aan een pandemie, maar ook andere ziektes) nu eindelijk zijn weg naar Roadburn had gevonden. Bad Breeding is een Engelse band in de traditie van Crass en the Exploited, met een flinke dosis heavyness en vooral boosheid die zich vooral uitte in de expressie en presentatie van de zanger. Vaak met zijn rug naar het publiek spuugde hij zijn teksten in de microfoon, opgezwollen aders in de nek. Vergezeld door een gitarist die hardcore punk combineerde met metalsolo’s en een degelijke ritmesectie was dit wel even wat anders dan de soundscapes als massieve ijsbergen zoals die door Cult of Luna werden voorgeschoteld. Keiharde en ouderwets boze hardcore, ook Roadburn.
Die boosheid zag je bij meerdere bands, wat niet vreemd is met zoveel crises in de wereld. Toch was er over het geheel genomen meer escapisme dan activisme, uitzonderingen daargelaten.
Ook was Bas voortijdig vertrokken bij Cult Of Luna. Niet omdat ik er niet voor open stond, integendeel, na zeven jaar was ik wel weer toe aan een dosis Cult Of Luna en helemaal als het een duik in hun verleden betrof en er twee drummers de postmetal met nog meer geweld door de zaal liet bulderen. Het was mijns inziens ook een overweldigend en diep imponerend optreden met weliswaar helaas geen ‘Echoes’, maar wel als slotnummer ‘Dark City, Dead Man’ (die ik helaas heb gemist), maar de band stond (bijna) lijnrecht geprogrammeerd tegenover Maruja. Maruja uit Manchester is een band uit de Windmill Scene (denk aan de band black midi) die ik eerder dit jaar ontdekte en als een mokerslag bij me binnenkwam. En pas later kwam ik erachter dat de band toen al maandenlang was geboekt voor Roadburn. Mooi dat Roadburn soms feilloos aanvoelt wat een vaste bezoeker als ik waardeert. Hun tweede album ‘Pain To Power’ is inmiddels een dikke hit in het alternatieve circuit en niet te onrechte. Op plaat viel het me nog niet zo op, maar live deden het bijkans militante karakter en de declamerende, vurig spuwende raps en zanglijnen van zanger/gitarist Harry Wilkinson (die in no time zijn shirt uittrok) wat denken aan Zack de la Rocha. Maruja is echter gevarieerder en onvoorspelbaarder qua sound, niet in de laatste plaats door altsaxofonist Joe Carroll die al toeterend, blazend, sputterend en spuitend de muziek op verschrikkelijk pakkende wijze aan elkaar smeerde. Is het jazz-punk? Noiserock? Art-hardcore? Hiphop-postcore? Hoe je het heetgebakerde beestje ook noemt, het was aanstekelijk, uitdagend en opzwepend, allemaal tegelijk. Een oorverdovende dosis uit elkaar spattende explosie van nitroglycerine. Toevalligerwijs leerde ik de band kennen op dezelfde dag dat Zu optrad in de OCCI (in februari dit jaar) en Joe Carroll had zo het toeterbroertje kunnen zijn van Zu’s Luca Mai. Zu trad een dag later ook op op Roadburn, de toeval continues, maar door een overweldigende drukte in jazzcafé Paradox was het buiten een handvol gelukkigen (capaciteit: 175 zieltjes) onmogelijk om je daar tijdig naar binnen te wurmen. De rij wachtenden buiten op straat was een half uur voor het optreden bijna honderd meter. Maar terug naar Maruja, want die speelde een diep overtuigende set voor een zeer enthousiast en regelmatig lekker in de rondte moshend publiek. Volgend jaar Lowlands en over drie jaar Pinkpop, wat ik je brom. Is daar eindelijk ook weer eens een écht goede band te zien.
De geheime show van Doodswens in de Skatehal – een van de eerste in de velen die nog zouden volgen – hebben we door tijdsgebrek en misschien ook door het besef dat je niet alles moet willen en kán zien, aan ons voorbij laten gaan. Jammer, maar het was niet anders.
De afsluiting van de dag, dat wil zeggen de afsluiting van onze route door de menukaart die door de Roadburncrew was samengesteld, was de integrale uitvoering van het album ‘Occupational Hazard’ door de New Yorkse noiserock legende Unsane. Alleen zanger gitarist Chris Spencer is nog over van de originele bezetting, maar dat mocht de pret niet drukken. Ondanks het feit dat het album al bijna 30 jaar oud is en Spencer duidelijk ook niet meer de jongste is, stond Unsane nieuwe bezetting als een huis. Toch wist Spencer nog alle hoeken van het podium te vinden en was er ruimte voor wat plagerige duwtjes richting de bassist. Unsane was destijds, in de jaren negentig, niet per se de meest succesvolle Amerikaanse noiserock band, maar wel een van de meer invloedrijke en als de band door de nummers van ‘Occupational Hazard’ gaat is snel duidelijk waarom. Zou het komen door het (relatieve) succes van bands als Chat Pile en het al genoemde Pigs x 7 dat Unsane weer volop in de belangstelling staat? Dit optreden toonde aan dat dit meer dan terecht is. Messcherp en to the point, al bleef Spencer in zijn praatjes tussen de nummers zich continu zorgen maken of hij niet over de toegewezen tijd heen ging. Genoeg gekletst, we moeten door! Dat maakte uiteindelijk niet veel uit, er stond niks meer op het programma in de Next dus dat het tien minuten langer duurde vond niemand erg.
Terwijl we de zaal verlieten belandden we in een andere wereld, een ander universum wellicht. In de grote zaal speelde, luid en duidelijk de industrial techno van Blawan. Ooit zou zoiets ondenkbaar zijn geweest. Maar tegenwoordig is dat, in toenemende mate zelfs, ook Roadburn. In het overkoepelende thema “Past, Present & Future” zou Blawan dus het geluid van de toekomst zijn. Gelukkig voor ons is er ook nog het geluid van het verleden en het heden. Op naar de toekomst, dag twee.













Social media



