Roadburn 2026 – 013 Tilburg – zaterdag 18 april 2026
“Onder leiding van zanger Joost Vervoort hebben ze schijt aan de bijzondere omstandigheden en gaan ouderwets geëngageerd te keer”
Of het een bewuste keuze was of een combinatie van hoe het programma voor de zaterdag in elkaar zat en een vorm van passief verzet tegen de hoeveelheid keuzes (en kilometers) die we hadden moeten maken of dat het kwam door het relatief sombere, regenachtige weer, het is niet helemaal duidelijk. Het is in ieder geval een feit dat we het op zaterdag relatief rustig aan hebben gedaan en meer dan anders zijn blijven hangen bij de bands die ons aanstonden of positief verrasten. Tegelijkertijd was dit een dag die, op een vreemde associatieve manier, nog het meest op een Monty Python aflevering leek omdat het echt alle kanten op ging.
14 mei 2026 I Tekst: Jan-Simon Hoogschagen en Bas Smit fotografie: Edwin Hoogschagen, Bas Smit
Zo begon onze zaterdag met Blackwater Holylight, een drietal dames uit Portland, Oregon die bij Edwin hoog op het lijstje niet te missen acts stond. Hij had groot gelijk, de combinatie van psychedelische gitaarrock met engelachtige vocalen en onverwachte invloeden uit doom, black en shoegaze was inderdaad iets wat ik niet had willen missen. De kennismaking met deze mij nog onbekende band smaakte naar meer. Blackwater Holylight speelt uitsluitend songs van het eerder dit jaar verschenen album ‘Not Here Not Gone’. De set krijgt een verrassende wending als zangeres-gitariste Sunny Faris en bassiste Mikayla Mayhew halverwege hun instrumenten omruilen en doorgaan alsof dat de gewoonste zaak van de wereld is. De dreampop met beukende drums en van distortion en tremolo stijfstaand gitaargeweld is een bijzondere opeenstapeling van ogenschijnlijk onverenigbare stijlen, maar het werkt. L7 meets Cocteau Twins terwijl Darkthrone om de hoek gluurt. Zoiets vaags, maar het werkt verdomde goed. Behalve de instrumenten pitsstop gebeurde er niet veel spannends op het podium, maar dat hoeft ook niet. De muziek spreekt voor zich en dat is meer dan genoeg. We blijven tot het eind en als deze drie dames de hele dag hadden doorgespeeld dan was dat helemaal niet erg geweest.
Nog zo’n onverwachte wending: na Blackwater Holylight kunnen we kiezen uit drie acts die binnen afzienbare tijd gaan spelen. Van Slowhole hebben we wat gehoord en dat is ons toch net iets te heftig voor de vroege middag. Aho Ssan & ASIA en otay:onii zijn ook niet echt ons ding dus we zijn blij verrast met de melding dat in de Ladybird Skatehall Terzij de Horde aantreedt voor een secret show. De felverlichte kale ruimte is misschien niet ideaal voor een dergelijke black metal act, maar een kniesoor die daar op let. Onder leiding van zanger Joost Vervoort hebben ze schijt aan de bijzondere omstandigheden en gaan ouderwets geëngageerd te keer. Met een vlag van de Antifascistische Aktie en een keffiyeh om het drumstel gewikkeld is voor de goede verstaander geen twijfel waar de sympathie van de band ligt en voor wie het niet door heeft legt Joost een paar keer uit hoe verrot de wereld op dit moment is. Terzij De Horde begint de show als een integrale albumset. De eerste vijf songs van het laatste album ‘Our Breath Is Not Ours Alone’ worden achter elkaar gespeeld met Vervoort die zich al zingend tussen het publiek mengt, waarna ineens een heel andere weg wordt gekozen. Twee korte songs van hardcore / metalcore pioniers Integrity (wie kent ze nog?) geven aan dat de band het engagement zonder veel moeite ook in een andere vorm kan gieten. Na dit uitstapje volgen een ouder, meer doomy nummer en het titelnummer van de (lange) EP In ‘One of These I Am Your Enemy’, terwijl voor de afsluiting ineens Charlotte Wessels ten tonele verschijnt voor het slotnummer van ‘Our Breath Is Not Ours Alone’, ‘Discarding All Adornments’. Ook dit was een zinderende show van begin tot eind. De goedgevulde skatehal had genoten.
How to Recognise Different Types of Trees From Quite a Long Way Away. No. 1: The Larch. Oftewel, and now for something completely different, onze Monty Python experience.
Bas nam de gok om een kijkje te nemen bij otay:onii, de eerste act vandaag op de Main Stage. Tot en met dit verslag moet ik steeds checken of ik de naam wel goed spel (geen kapitalen!): het is geen naam die lekker bekt of schrijft. Toch is dit al de derde keer dat deze Chinees-Amerikaanse (en momenteel Berlijn woonachtige) Lane Shi Otayonii op Roadburn staat. Bijna voor de vierde keer, want als zangeres van Elizabeth Colour Wheel zou ze ook op Roadburn 2020 staan, maar ja: daar kwam iets tussen. Zo kan een artiest dus diverse keren door de mazen van je aandacht ontsnappen. Aan Roadburn heeft het zeker niet gelegen, want otay:onii is de eerste triënnium artiest op Roadburn, dat wil zeggen dat ze op drie aaneengesloten jaren op Roadburn optreedt. Vorig jaar was ze er bij op de zondag om haar destijds laatste album ‘True Faith Ain’t Blind’ te presenteren (zie ons archief waar Edwin over verhaalde), deze keer speelde ze niet haar hagelnieuwe album ‘Love Is In The Shit’, nee, ze had iets totaal anders verzonnen. Ze heeft een commissioned work gemaakt dat bestaat uit een interpretatie van zes Chinese kinderliedjes. Eh, wat? Ja, je leest het goed. We gaan luisteren naar lullabies uit China. Flyers met informatie over haar interpretatie van deze kleuterdeuntjes lagen met stapels bij de ingang, zodat je je een beetje kon inlezen. Het is maar goed dat ik die flyers pas ná het concert bij de uitgang geworden ingang tegenkwam, want anders had ik op voorhand rechtsomkeert gemaakt en geprobeerd me nog bij Terzij de Horde naar binnen te wurmen. Ignorance bleek bliss in positieve zin, want het optreden zal me nog lang nablijven.
De vier bandleden waren gehuld in uitbundige bonten outfits alsof ze in een futuristische volière carnaval stonden te vieren. De outfits stonden voor vier Chinese mythologische beesten als natuurelementen: de Schildpad (water), de Witte Tijger (metaal), een ‘Vermiljoen’ Vogel (vuur) en de ‘Azuur’ Draak (hout). Vooral de gevederde looks van de drummer deed me denken aan de kinderfilm ‘Iep!’, het verhaal waarin het meisje lijdt aan primordiale dwerggroei en ‘het vogelmeisje’ wordt genoemd. En zie hier, achteraf vind ik toch een link met het kinderliedjesthema van het optreden. Kinderlijk klonk de muziek echter allesbehalve. De kindermuziek waarmee Otayonni in de jaren 80 en 90 opgroeide kreeg een totale make-over in een amalgaam van art pop, postrock, darkwave, experimentele passages en snoeiharde, industriële klanken, met bijpassende film- en sfeerbeelden op de backdrop. Otayonii stond op het podium met een keytar die bijna even groot was als haarzelf. Af en toe pakte ze een ander instrument op, waaronder een hulusi: een houten blaasinstrument waar je op een mini-kalebas blaast waaruit een tot drie naast elkaar gelegen fluiten (tongen) komen en die klinkt als een soort slangenbezweerdersfluit. Maar het was vooral haar vocale expressie die imponeerde. Soms op artistieke wijze als het Chinese zusje van Björk, dan bezwerend parlando voor een beklemmende spanning, maar ook regelmatig uitbarstend in intens ijselijke krijsen die de bril- en zelfs de plastic bierglazen deden springen, waarbij de muziek beukt, dreunt en vermorzelt als de gewapend betonlagen van een band als Swans. Kortom: snoeihard. Op driekwart van de set kregen we, onder een dikke laag van elektronische noise en drones, een stukje Cirque Du Soleil, waarbij Otayonii aan twee koorden de lucht in werd gehesen en ze een gevecht aanging met een maan (van suiker) die ze op zes meter hoogte oppikte en op de grond aan gruzelementen sloeg. Curieus gedoe, maar vermakelijk fascinerend. Toch lonkte aan het einde van haar performance de Next Stage, waar de zaal snel volliep voor de volgende act en die ik ook wilde zien, want nadrukkelijk getipt door diverse leden van de Roadburn-organisatie. Maar de slogan ‘Redefining heaviness’ werd zelden zo tot in het extreme doorgevoerd als deze interpretatie van Chinese wiegeliedjes en kindertelevisietunes. Een bijzonder optreden dat nu al doet uitkijken naar haar show van volgend jaar.
And now for something completely different (doctor, I have this terrible case of deja vu!).
In de snel vollopende Next Stage stond Róis geprogrammeerd, door de organisatie vooraf als een van de niet te missen hoogtepunten van het festival bestempeld. Van de uitbundige, (kleuren)explosieve avant-garde van otay:onii is het fors omschakelen en 180 graden draaien naar de (Noord-)Ierse minimalistische begrafenisfolk van Rose Connolly. Rose/Róis staat achter haar synthesizers, die ze zeer spaarzaam gebruikt, en wordt bijgestaan door een drummer die al even subtiel en gedoseerd zijn werk doet. Het draait allemaal om haar stem en voordracht. Ze zingt op een wijze die keening wordt genoemd: een traditionele vorm van vocale rouwbetuiging voor de doden in de Gaelische Keltische traditie. Keening is op haar beurt weer een vorm van sean-nós-zang: een zeer rijk versierde, a capella zang in de Ierse taal. Helemaal a capella was haar optreden niet, enkele keren wel, maar het was duidelijk dat alles in dienst staat van haar stem. Vandaar dat ze zelfs haar gezicht heeft bedekt met een sluier en de drummer met een zwart doek, opdat hun uiterlijk er niet toe doen? Of is het een onderdeel van de rouwsessie? Niet gehinderd door voorkennis liet ik de hypnotiserende lamentaties over me heen glijden en om me heen zag ik meer mensen met gesloten ogen dan met geopende. Ze speelde werk van haar laatste album ‘Mo Léan’ (‘my pain’), wat nieuw werk (‘Bury Me Under The Oak Tree’) en onbekend werk. Maar ook een nummer dat iedereen kende, al herkende ik de uiterst trage, klagerige treurwilgenversie van Nirvana’s ‘Something In The Way’ pas bij het refrein. Nee, een vrolijke Francien kan je Róis niet noemen, maar je kan haar zeker boeken voor een feilloze soundtrack bij een contemplatieve en verstilde teraardebestelling.
And now for something completely different 3.0
Deze gevleugelde uitspraak van John Cleese was voor de derde maal op zijn plaats bij de overgang van de ziedende black metal orkaan genaamd Terzij de Horde naar de uitermate verantwoorde artrock van These New Puritans: de volgende band voor Jan-Simon en Edwin. Een blik op het podium maakte duidelijk dat hier iets geheel anders zou plaatsvinden. Op het podium stonden een xylofoon, marimba, klokkenspel, piano en nog meer instrumenten die je daar niet meteen zou verwachten. Nadat de band begon te spelen, borrelde al heel snel een prangende vraag op: hoever kun je de grenzen oprekken? Is dit echt een Roadburn band of moeten we het motto ‘Redefining Heaviness’ nu als drogreden bij het grof vuil zetten? Die vraag kon al gesteld worden bij Róis, maar daar had je nog de loodzware thematiek: dood, rouw en alles wat daarbij komt kijken. De muziek van These New Puritans daarentegen was een warme, uiterst laidbacke mix van elektronische muziek met de genoemde exotische instrumenten, waarover zanger Jack Barnett, gekleed als een film noir held uit de jaren veertig, zijn teksten croonde. Het had verdacht veel weg van het solowerk van David Sylvian. Wie zul je zeggen? Toen ik deze vergelijking uitsprak bij het verlaten van de zaal kreeg ik meteen spontane bijval van iemand anders die ook iets anders ging doen, maar wel blij was dat ik hem aan die oude eighties held, zanger van de arty new romantic band Japan, had herinnerd. Het programmeren van These New Puritans was een gok, daar was de organisatie zich terdege van bewust. De matig gevulde grote zaal bewees dat deze band voor de meeste Roadburners toch iets te ver van de kernwaarden van het festival stond. Het was goed, maar het was nog beter geweest op een ander festival.
Na These New Puritans bleek Prostitute een brug te ver. Vanwege een rij van heb ik jou daar gingen we op zoek naar een alternatief en belandden we voor de tweede keer deze dag in de skatehal. Net als twee jaar geleden stond daar de meest psychedelische hippieband van Nederland van dit moment, Heath uit Den Haag. Onder leiding van de charismatische voorman Mees Vullings, mondharmonicaspeler par excellence, zweefden we mee op de bluesy psych van deze band. Heath had net een nieuw album uitgebracht, Murmurations, met daarop twee lange jams en een kort intro. Waarschijnlijk was het verrassingseffect dat het eerste optreden van Heath op Roadburn zo bijzonder maakte uitgewerkt, want de muziek kabbelde een beetje richtingloos voort zonder ook maar een moment echt indruk te maken. Het maakte dat deze tweede show niet veel meer was dan een opvuller tot het volgende hoogtepunt.
Bas was wel op tijd aan de wandel voor de industriële hardcore-punknoise van Prostitute: ja hoor, laat het hoerenlopen maar aan Bas over. Maar deze prostituee uit Dearborn (Michigan), of sekswerker zoals het nu heet, walste volledig over me heen als een knoertharde BDSM-meesteres: meedogenloos, compromisloos en militant. De vijfmansformatie stond in een oogverblindende zee van enkel blauw, of louter rood, of stroboscoperig wit licht hun nummers van hun album ‘Attempted Martyr’ (2024) de zaal in te rammen. De vrij opmerkelijke en aandacht opeisende albumhoes – het hoofd van een Arabische man bijna volledig gehuld in een shemagh (woestijnsjaal) waarbij alleen zijn ogen als schaduwen zichtbaar zijn, en waaromheen bandnaam en albumtitel in sierletters zijn geschreven als een soort fake Arabisch – laat duidelijk zien wat muziek, tekst en context van de band behelst. Het album heeft als thema de demonisering van Arabieren in Amerika na 9/11. De toetsenist speelde dan ook in diverse nummers Arabische maatsoorten en gaf daarmee de band een onderscheidend geluid. Hoe ziedend hard en agressief rebellerend de band ook hun muziek uitspuugde, met name het prijsnummer ‘M.Dada’ bleek live een kakafonie van dissonante furie, met een geluid dat niet in atonale herrie of in een onsamenhangende brij verzandde. Het bleef verschrikkelijk urgent, dwingend én toch ook origineel klinken. Een knappe prestatie binnen het spectrum van extreme muziek waarin zoveel duizenden bands opereren. Deze hoerenloper was na het optreden volledig verzadigd.
Acht jaar geleden waren ze er voor het laatst om samen met Stephen O’Malley van Sunn O))) een oorverdovende droneset neer te zetten: Atsuo, Wata en Takeshi oftewel Boris. En het moet gezegd worden, het leek alsof het gisteren was, ze waren niks veranderd. Op zich best bijzonder, want dit Japanse fenomeen gaat intussen ook al een jaar of dertig mee. Het trio was voor deze editie gestrikt voor twee sets. Een eerste, meer fuzzrock georiënteerde set met als basis het album Pink en zondag een heavy drone set rond Flood. Die eerste set was in veel opzichten vintage Boris: de gong, de dubbelneksgitaar en veel, heel veel zware zij het in dit geval melodieuze riffs. Boris speelde als een stel jonge goden, wat logischerwijs onmogelijk zou moeten zijn, ze gaan tenslotte al een eeuwigheid mee. Zoals gebruikelijk bij een Boris optreden was het een tamelijk extraverte aangelegenheid met zowel Atsuo als Takeshi die allerlei cliché rockposes aannamen en op allerlei manieren het publiek probeerden te betrekken. Wata bleef de rustigheid zelve, intussen als een malle woeste riffs afwisselend met de ene na de andere gitaarsolo. Des te grappiger om haar dan als een bescheiden kindvrouwtje heel onbeholpen en vertederend met een klein stemmetje het publiek te horen bedanken in moeilijk verstaanbaar Engels. ‘Pink’ is een van de meest toegankelijke albums in het enorme oeuvre van de band, wat maakte dat het een makkie was om het publiek mee te krijgen. Boris, eigenzinnig als altijd kiest, ervoor om de songs van Pink af te wisselen met een aantal songs uit dezelfde periode. Zo werd ‘A Bao A Qu’, een song van een enigszins vergeten soundtrack onder het stof vandaan gehaald. Het gaat bijna naadloos over in het experimentelere ‘The Evilone Which Sobs’ van Dronevil. Zo gaat het van de bijna punkrockachtige intensiteit van Pink naar de andere kant van Boris, de uitgesponnen trage drone metal met lager dan lage riffs waar geen eind aankomt en Atsuo die een poging doet de gong aan gort te slaan. Dat blijkt het intro van ‘Akuma Na Uta’ te zijn, een alle remmen los freakout zoals ook alleen Boris dat kan. Een voorproefje van wat de band op zondag gaat brengen? Het eerste deel van de tweedaagse Roadburn veldtocht was geslaagd, een traditionele Japanse buiging is op zijn plaats.
Het blijft een beetje het verhaal van de dag, na Boris hadden we naar het andere deel van het festival kunnen rennen om daar Inter Arma in de skatehal te zien, of het derde deel van het Acid Mothers Temple drieluik. We kozen ervoor om in de grote zaal te wachten op wat komen gaat, de langverwachte en veelbesproken terugkeer van Oathbreaker, de Belgische superband-of-sorts die na een winterslaap van 8 jaar op het podium van Roadburn zijn wedergeboorte vierde met een integrale uitvoering van het album ‘Rheia’ uit 2016, hun claim to fame. Oathbreaker, dat is een band met behoorlijke Amenra en Wiegedood dwarsverbanden. In tegenstelling tot sommige andere bands geen artistieke vrijheden hier, Oathbreaker ging gewoon song voor song door het album heen, wat betekent dat begonnen werd met het a cappella gezongen ‘10:56’, waarin de in rode sluiers gehulde Caro Tanghe zich van haar gevoeligste kant mocht laten zien voordat na een minuut of twee de feeks in haar wakker geschud wordt en Oathbreaker op volle kracht losbarstte met ‘Second Son of R.’. De voornaamste gimmick op het podium is de windmachine, alsof de band rond Caro niet genoeg lucht verplaatsen kan. Het geeft een dramatisch effect aan de toch al dramatische, licht bombastische post-black metal. Onbedoeld (vermoed ik) roept het ook de theatrale kanten van bijvoorbeeld Within Temptation in herinnering. Het was gaaf, negen jaar na de eerste keer, de band weer in actie te kunnen zien. En het was goed, al bood het optreden niet reuze veel extra’s ten opzichte van nog eens de plaat opzetten. Ok, misschien moeten we de volgende keer ook een ventilator naast de platenspeler zetten.
Terwijl de rode sluiers van Caro flink aan het wapperen waren, was er in de Next Stage een tribute voor alle gamers en computernerds die in de jaren 80 zijn opgegroeid met Commodore 64, Atari, Nintendo, Sega en ColecoVision. Want all the way from somewhere in Australia speelde Jordan Blackwell alias Lord Gordith alias Quest Master zijn dungeon synthwave die geïnspireerd is op ongetwijfeld zijn voorliefde voor de eerste generatie computerspellen. Nu ben ik behoorlijk liefhebber van horror/dark synth-muziek van artiesten als Perturbator, Dan Terminus, Umberto en vooral opperstalmeester John Carpenter. Zo was ik erg blij dat Zombi een keer Roadburn aandeed (2015), heeft GosT ook op Roadburn gestaan (2018) en staat het optreden van Carpenter Brut op Roadburn 2017 met een kolkend dansende menigte op hun versie van Michael Sembello’s ‘Maniac’ bij mij in de boeken als een van de (vele) hoogtepunten in de Roadburngeschiedenis. Om nog maar te zwijgen over de illustere optredens van Goblin in 2014 en 2015. Maar bij Quest Master vielen de kwartjes niet. Misschien omdat ik er even niet voor in de mood was? Misschien omdat ik, ondanks dat ik er de leeftijd voor heb en er ook zeker aan heb meegedaan, niet zo’n gamenerd ben? Of omdat ik op het podium alleen maar een in zwarte doeken gehulde stellage zag met daarop zeven rode (nep)kaarsen, waarachter Quest Master behoorlijk statisch zijn knopjes- en schuifjesding zat te doen? Dit laatste was zeker debet aan enkele haperende kwartjes. Het leek wel alsof hij, inherent aan Róis, zijn gezicht doelbewust volledig had bedekt – met zijn lange blonde haar – omdat zijn presentatie er niet toe doet. Of was het verlegenheid? Het enige dat je zag is het zachte gedein van zijn lange blonde lokken. De vage film- en animatiebeelden op de backdrop stimuleerden ook niet tot een uitbundige participatie met zijn 16-bit fantasy-synths. Het was allemaal erg dromerig, relaxed en… braaf. Ik miste bite en uitdaging in zijn synth-riedeltjes. Na een minuut of twintig was ik eigenlijk wel klaar met Quest Master: game over.
Dat kwam ook wel goed uit, want dat betekende dat ik voldoende tijd had om richting de Koepelhal te hollen voor het optreden van Saetia. Ook met deze band was ik volstrekt onbekend, ondanks dat ik met een vluchtige blik op ratingsite RateYourMusic zag dat hun enige, naamloze album torenhoge waarderingen krijgt. Zo bizar hoog dat het mijn voornaamste reden was om toch even in The Terminal te koekeloeren. Toen de vijf mannen uit New York nog met de soundcheck bezig waren viel het me wel op dat ze niet meer piep waren, en toen ze losbarstten met het optreden viel me dat nog veel meer op. Her en der grijze lokken, als ze al niet kaal(geschoren) waren, en het slobbershirt van de zanger deinde bij zijn borstkas en zijn ‘love handles’ boven de heupen wel erg opzichtig mee. Niet dat dit hen weerhield om flink te keer te gaan op het podium, integendeel, de schuimbekkende energie spatte van het podium, maar ik vond het opmerkelijk hoe ‘ervaren’ en ‘gerijpt’ deze band oogde. Van wanneer is dat album dan eigenlijk? Ik nog eens kijken en ik verschiet ervan. Hun album dateert van 1998! Krimmenele, dat album is al bijna dertig jaar oud! Ja, geen wonder dat ik hier dus geen strakkemannenlijven van in de twintig zie, maar mannen die mijn leeftijd… nouja, benaderen. Blijkt dat deze band eind jaren negentig maar 22 maanden heeft bestaan en enkel één album en wat singles heeft uitgebracht. Door de jaren heen heeft dat album en de band blijkbaar een behoorlijk cult following gekregen, zodanig dat het de bandleden triggerde om in 2022 weer bij elkaar te komen. Ze bestaan inmiddels dus al langer dan destijds. Ze hebben zelfs ook nieuw werk uitgebracht. Dat werk kwam deze avond ook langs, onder andere ‘Tendrils’ van de gelijknamige EP, maar het gros van de muziek dateerde dus al van het vorige millennium.
Maar wat gaven de mannen een performance, geweldig! Band en debuutplaat staan bij de liefhebbers te boek als een absolute screamo-klassieker en kan ik er met mijn hoofd niet bij dat deze band al die jaren onder mijn radar is gebleven. De muziek is ook meer dan sec screamo, want de band creëert soms behoorlijk hoekige passages á la de mathmetal van The Dillinger Escape Plan, is dan weer wat meer in de emocore-hoek bezig, maar heeft soms ook wat jazzy passages. Dat laatste is niet zo raar als je bedenkt dat ze de bandnaam hebben ontleend aan een nummer van Miles Davis (‘Saeta’ op ‘Sletches Of Spain’) en ze in 1999 de song ‘Eronel’ uitbrachten op single, wat ook de titel is van een nummer van Thelonious Monk. Enfin, of het nu complete chaotische teringherrie was, of hoekig wiskundige riffs, de band speelde retestrak. En dat terwijl er grotendeels maar vier man op het podium stonden, want regelmatig dook nummer vijf in of op het publiek om deze verder op te jutten tot een slamdance. Vier van de vijf leden zijn origineel, alleen de tweede gitarist is er sinds de reünie bij, en zanger Billy Werner schreeuwt, brult en loeit alsof hij nog steeds 23 is. Een grappig contrast met zijn uitgebreide praatjes tussen de songs: zijn praatstem klinkt dan bijna als Marc-Marie Huijbregts. Een van de (vele) fijne verrassingen van deze editie.
De zaterdag werd, op het hoofdpodium althans, afgesloten met SLIFT (in hoofdletters graag!) die hun nog uit te brengen nieuwe album Fantasia in zijn geheel ten gehore brachten. Een première dus en het bleek een Heavy Psych Hoogmis (ja, met hoofdletters!) zonder weerga te zijn. De broertjes Jean en Rémi Fossat, vergezeld door drummer Canek Flores wisten, ondersteund door een niet voor epileptici geschikte lichtshow, het publiek vanaf de eerste akkoorden mee te nemen op hun space trip, ondersteund door incidentele keyboard accenten. Vergeleken met een aantal andere acts op herhaling (en al hebben we ze niet nageteld, het waren er best veel dit jaar) sprak uit ieder akkoord, iedere riff, iedere noot zelfs een urgentie om er voor meer dan 100% voor te gaan. Het gevolg was dat je als toehoorder moeilijk afzijdig kon blijven, SLIFT sleurde je mee in hun wereld, of je dat nu wilde of niet. De combinatie van krautrock achtige ritmes, psychedelische spacerock en wilde garagerockachtige energie maakt dat er geen betere afsluiting van de zaterdag denkbaar was dan SLIFT. Dat de heren Fossat hun gitaren nogal nerdy hoog vasthielden, ach het zijn details waar we niet al te lang bij stil staan.
Er was op deze derde dag meer herhaling (in de zin van acts die niet voor het eerst op Roadburn te zien waren), maar misschien lag dat vooral aan de door ons uitgestippelde route door het blokkenschema. Maar zelfs dan bleek eens te meer dat Roadburn niet per se een festival is voor fans van heavy muziek, maar een plek waar je naar toegaat omdat je nieuwsgierig bent, omdat je uitgedaagd wil worden, niet bang bent nieuwe dingen te ontdekken in een omgeving van gelijkgestemden. In dat is Roadburn zonder meer uniek. En dergelijke overdenkingen al na drie dagen? Er komt nog een dag vier!









Social media



