Dauþuz – Todeswerk: Uranium II
Amor Fati Productions
Release datum: 29 mei 2026
“Aan de andere kant, waarom doen niet meer bands dit?”
Jan-Simon Hoogschagen I 5 juni 2026
Was het vorige album ‘Uranium’ zo’n groot succes of viel er nog meer te vertellen over de trieste geschiedenis van de uraniumwinning in het Oost-Duitse Ertsgebergte? Of misschien allebei? Feit is in ieder geval dat het Duitse duo Dauþuz (lees en spreek uit als “Dauthuz”, wat dan weer Oudhoogduits is voor “dood”) terug is met ‘Uranium the Sequel’, oftewel ‘Todeswerk Uranium II’, waarin dit keer vooral wordt stilgestaan bij het menselijk leed en de ecologische verwoesting die het gevolg waren van de mijnbouw bij Joachimstal, na de tweede wereldoorlog beter bekend als Jáchymov. Bij dit plaatsje in het grensgebied tussen Duitsland en Tsjechië was de eerste en lange tijd enige mijn waar radium werd gewonnen. De radioactieve grondstof ging linea recta naar de Sovjet Unie en de dwangarbeiders die het boven de grond moesten halen konden creperen, wat ze in grote getale deden.
Genoeg materiaal voor weer een album vol mijnwerkers black metal, het genre dat door Dauþuz in het leven is geroepen en waarvan de band, voor zover bekend, de enige vertegenwoordiger is. De heren Syderyth (ijzercarbonaat; zang, keyboards en akoestische gitaar) en Aragonyth (calciumcarbonaat; gitaar en bas) worden dit keer geassisteerd door een sessiedrummer genaamd Werwolf. Dat gaf Aragonyth wat lucht om zich met volle overgave op de snaren te concentreren. Het resultaat is een waardig deel twee. Veel van wat ‘Uranium’ zo bijzonder maakte, komt terug: de bijzondere vocale capriolen van Syderyth, de melodieuze tremolo gitaarriffs en de vele sfeervolle intermezzo’s. In vergelijking met het eerste deel is er meer ruimte voor akoestische instrumenten en die dynamiek komt het geheel ten goede. Het openingsnummer ‘Joachimsthal / Jáchymov’ begint bijna folky, met violen en akoestisch gitaargetokkel, maar zoals zo vaak in de metal is dat slechts de opmaat naar het grof geweld dat volgt. Alleen dat grof geweld is niet het stereotiepe metalgeweld. Wat volgt is een verhandeling over de geschiedenis van de plaats Joachimstal waarbij docent Syderyth afwisselt tussen hoge gillen, screams en Bathory achtige epische koorzang en af en toe zijn hoorcollege afwisselt met wat passende samples. Pas als je de songteksten erbij pakt valt op hoe eigenaardig die teksten zijn. Het valt in eerste instantie nauwelijks op door de black metal squeals, screams en grunts maar hij zingt het echt:
Ehemals US-Zone, jetzt Rote Zone, abgeschirmtes Geheimareal
Nur ein geschund`nes Pferd zog die 12 Erzwagen hinaus ins Tal
122 heimische Bergmänner, mussten für die Sovjets in den Schacht
Uranerz für die Bomben, Uranerz für die rote Macht
Toegegeven, je moet je meer dan redelijk kunnen redden in het Duits, maar met het tekstvel in de hand is dit woord voor woord te volgen. De informatiedichtheid is bizar hoog, zakelijk bijna en het rijmt ook nog.
Dauþuz kiest ervoor om de onbeschrijfelijke ellende die zich in de mijnen van Joachimstal heeft voltrokken vorm te geven in epische black metal à la Bathory en Windir. Dat is een mooi contrast, al moet daarbij wel worden gezegd dat dit alleen opvalt als je probeert te volgen wat Syderyth zingt, gilt en schreeuwt. Net als op het vorige album ‘Uranium’ gaat hij daarbij af en toe in full opera mode (let wat dat betreft vooral op het begin van ‘211947’), wat de epische metal naar een volgend niveau tilt en tegelijkertijd een beetje gek is. Bij de regelmatig terugkerende “ohohohoh” koortjes ontstaat de vraag of dit nu een knipoog naar de al genoemde Bathory is of dat Syderyth op die manier de tremolo riffs van Aragonyth imiteert. Het kan allebei en het is een mooie toevoeging. Dauþuz moet het qua muziek niet hebben van extremen. Het is snel, maar niet idioot snel, de gitaren zijn af en toe dissonant, maar ook weer niet te dissonant en het drumwerk is niet een eindeloze stroom van blastbeats, maar afwisselend en ondersteunend aan de rest van de muziek. Het is black metal volgens de regels van het spel en de productie is niet zoals de traditie het voorschrijft. Dit is namelijk een goed klinkend album. Blijven de vocalen als belangrijkste onderscheidende kwaliteit van deze band. Ik vraag me af of Syderyth in staat is om zijn screams, grunts en klassieke zang ook in een live setting af te wisselen zoals op deze plaat, of dat dit alleen maar met de hulp van moderne opnametechnieken kan. Hoe dan ook, soms lijkt het alsof er vier verschillende zangers aan het werk zijn in plaats van één.
Als na een kleine drie kwartier de muziek langzaam wegtokkelt rest de vraag of metal, black metal om precies te zijn, nu het medium is om een stuk vergeten geschiedenis zo gedetailleerd voor het voetlicht te brengen. Kun je dan niet beter een boek schrijven of zo? Aan de andere kant, waarom doen niet meer bands dit? Waarom blijven hangen in simplistisch satanisme, viking mythologie of andere onbenulligheden? Misschien moet je een Duitse band zijn om te doen wat Dauþuz doet.



