Hatebreed- interview met Matt Byrne
Matt Byrneen: “Niemand wil vijfentwintig jaar lang exact dezelfde show brengen. Daarom moet je blijven experimenteren. Nieuwe ideeën uitproberen en de liveshow fris houden.”
Hatebreed behoort ondertussen al meer dan dertig jaar tot de vaste waarden binnen de hardcore- en metalscene. Toch klinkt de band op ‘Fatal Paradox’ nog altijd even hongerig, compromisloos en vastberaden als in de beginjaren. Voor deze nieuwe plaat keert de groep deels terug naar haar roots: korte, directe songs die zonder omwegen binnenkomen. In aanloop naar de release sprak ik met drummer Matt Byrne, ondertussen al 27 jaar een vaste kracht binnen Hatebreed. We hadden het over het nieuwe album, het leven op tour, ouder worden binnen de hardcorewereld, gastzanger John Tardy van Obituary en waarom de band na al die jaren nog steeds dezelfde gedrevenheid uitstraalt als toen alles begon.
Koen de Waele Ι 3 november 2026
Dit interview draait uiteraard vooral rond het nieuwe album ‘Fatal Paradox’. Wat me opviel, is dat dit pas het negende album van Hatebreed is, terwijl de band al een eeuwigheid meegaat.
Ja, dat klopt. Als je terugkijkt op onze carrière, zit er gemiddeld vier à vijf jaar tussen twee albums. Bij deze plaat duurde het zelfs nog wat langer door de coronaperiode. Dat heeft alles natuurlijk vertraagd. Intussen zitten we ongeveer aan zes jaar sinds de vorige release.
Hoe voelt het om deel uit te maken van een band als Hatebreed? Jullie bestaan al decennialang, trekken nog steeds veel publiek en spelen nog altijd een indrukwekkend aantal shows.
Fantastisch. Ik ben vooral dankbaar dat ik er deel van mag uitmaken. De band bestaat ondertussen meer dan dertig jaar en zelf speel ik al 27 jaar bij Hatebreed. Dat is eigenlijk een hele carrière, en het blijft gek om dat woord te gebruiken. Als ik terugkijk op alle reizen die we hebben gemaakt en zie hoe loyaal onze fans zijn gebleven, dan besef ik pas echt hoe bijzonder dat is. Die loyaliteit werkt trouwens in twee richtingen. Wij blijven onze fans muziek geven waar ze zich in kunnen vinden, terwijl we altijd trouw zijn gebleven aan de identiteit van Hatebreed. Dat wederzijdse respect is volgens mij de reden waarom een band zo lang kan blijven bestaan. Je moet een sterke band met je publiek onderhouden, nieuwe muziek blijven afleveren en keer op keer een sterke liveshow neerzetten. Toen we begonnen, had niemand verwacht dat dit meer dan vijf jaar zou duren. Als je dan uiteindelijk je leven kunt wijden aan muziek en de hele wereld kunt rondreizen zoals wij hebben gedaan, dan mag je jezelf gelukkig prijzen. Dat we hier vandaag nog steeds staan, vind ik behoorlijk indrukwekkend.
Veel mensen zien Jamey uiteraard als het gezicht van de band, maar als drummer vorm jij eigenlijk het kloppende hart van elk nummer. Hoe kijk jij vandaag naar jouw rol binnen Hatebreed?
Bedankt dat je dat zegt. Er zit inderdaad een heel specifieke puls in de muziek van Hatebreed en ik denk dat ik daar een belangrijke rol in speel. Ik probeer altijd mijn eigen stempel op de nummers te drukken en mijn persoonlijkheid via het drumwerk te laten spreken. Wat ik zelf mooi vind, is dat ik ergens het midden vind tussen een metaldrummer, een hardcoredrummer en zelfs een funkdrummer. Het draait voor mij om een stevige groove, een solide basis en een ritme dat de nummers echt vooruitstuwt. Daar mag gerust wat swing en veerkracht in zitten. Ik neem die rol heel serieus en dat heb ik altijd gedaan. Ook op creatief vlak. Wat je op plaat hoort, krijg je live niet altijd exact hetzelfde voorgeschoteld. Ik voeg hier en daar graag wat improvisatie toe met fills of kleine variaties. Niets dat de structuur van een nummer verandert, maar wel genoeg om elke show uniek te maken. Het is leuk om op het podium af en toe een risico te nemen. Zo blijft een optreden spannend, zowel voor ons als voor het publiek, en wordt het meer dan gewoon een kopie van wat er op de plaat staat.
Grappig genoeg sprak ik je precies zes jaar geleden ook al, toen ‘Weight of the False Self’ uitkwam.
(lacht) Inderdaad. Fijn om je opnieuw te zien. Toen hadden we allebei trouwens wat meer kleur in onze baard. Dit is pure luiheid van mijn kant. Maar geen zorgen, voor we op tour vertrekken gaat de baard er weer af. We trekken vanaf 6 november opnieuw de baan op voor een Europese tour. Die start in Polen en we spelen samen met onze vrienden van Life of Agony. Tegen dan zal ik er weer wat presentabeler uitzien.
Toen zat de wereld nog midden in een lockdown. Het leven moet in 2026 toch een stuk aangenamer zijn dan zes jaar geleden?
Zonder enige twijfel. Het voelt alsof we die periode stilaan achter ons hebben gelaten, en daar ben ik alleen maar blij om. Iedereen heeft toen moeilijke jaren gekend. Nu kunnen we weer doen wat we het liefste doen: spelen, reizen en mensen samenbrengen via muziek. Dat blijft uiteindelijk het mooiste aan deze job.
Je zei daarnet al dat de wereld er vandaag heel anders uitziet dan tijdens de lockdowns. Hoe waren die voorbije zes jaar voor jou persoonlijk?
Mijn leven heeft sinds 2020 heel wat pieken en dalen gekend. Ik ben een tijd getrouwd geweest, maar ondertussen niet meer. Zoals iedereen zat ik tijdens de lockdowns thuis opgesloten. Ik had toen één hond en nam er nog een tweede bij, dus de beestenboel thuis werd wat uitgebreid. Aan de andere kant had die periode ook voordelen. Omdat iedereen thuiszat, had ik veel meer tijd om te oefenen en gewoon te jammen. Wanneer je constant op tour bent, krijg je zelden de kans om echt geconcentreerd aan je spel te werken. Hatebreed is sinds dag één een band die volop leeft van het touren, dus het was eigenlijk wel eens prettig om even een stap terug te zetten. Ik kon opnieuw muziek spelen puur voor het plezier, allerlei stijlen uitproberen en werken aan mijn techniek. Dat soort dingen schieten er normaal gezien vaak bij in.
Je zei daarnet dat je getrouwd was?
We zijn zelfs tijdens de lockdownperiode getrouwd. Maar zoals je bij zoveel mensen hebt gehoord, werkte het uiteindelijk niet. Het viel uit elkaar. Ik denk dat relaties soms veranderen wanneer je maandenlang constant op elkaars lip zit. Dan ontdek je pas echt of je samen verder kunt of niet. Als het niet lukt, dan ga je uiteindelijk ieder je eigen weg. Het is wel de ultieme test voor een relatie, zoveel kan ik je zeggen. Vandaag kan ik er gelukkig om lachen.
Dan kunnen we misschien zeggen dat jouw echte huwelijk met Hatebreed is?
(lacht) Ja, daar heb ik zelf ook al aan gedacht. Ik ben eigenlijk getrouwd met de band. Of beter nog: met muziek in het algemeen. Na zoveel jaren in Hatebreed en zoveel tijd onderweg te zijn geweest, ontwikkel je een bijzondere relatie met het leven op tour en het leven thuis. Je moet telkens opnieuw kunnen schakelen. Mentaal, praktisch en zelfs qua persoonlijkheid zijn dat soms bijna twee verschillende werelden. Dus ja, je vat het eigenlijk perfect samen: ik ben getrouwd met de weg en met mijn drums.
Op het nieuwe album klinkt Hatebreed voor mij opnieuw wat meer hardcore-georiënteerd. Was dat een bewuste keuze van de band of is dat vanzelf zo gegroeid?
Een beetje van beide. Toen we beslisten dat het tijd was voor een nieuwe plaat en de eerste ideeën begonnen rond te vliegen, merkten we al snel dat de nummers teruggrepen naar de vroege dagen van Hatebreed. Mensen vragen vaak welke bands ons beïnvloed hebben voor deze plaat, maar eerlijk gezegd waren we vooral door onszelf beïnvloed. We keerden terug naar kortere songs, hogere snelheden, stevige breakdowns en die eenvoudige maar krachtige aanpak die altijd de kern van Hatebreed is geweest. Het materiaal stuurde zichzelf eigenlijk vanzelf die richting uit. Vanaf het moment dat de trein aan het rollen ging, beseften we ook dat dit een korte en directe plaat zou worden.Toen we alle nummers geselecteerd hadden, kwam de speelduur uit op minder dan een half uur. Onze nieuwe platenmaatschappij, BLKIIBLK (spreek uit als Black to Black Records – KDW), zag dat liever iets langer. Ze mikten op minstens dertig tot vijfendertig minuten. Daardoor zijn we nog eens teruggekeerd naar wat extra materiaal. We hebben uiteindelijk ook een cover opgenomen van ‘Poison Planet’ van Corrosion of Conformity. Dat vonden we een mooie manier om de plaat af te sluiten. Kortom: kort, krachtig en recht voor de raap. Eigenlijk pure old-school Hatebreed.
Kenden jullie BLKIIBLK al voor de samenwerking?
Via Mike Gitter vooral. Hij is onze A&R-man. BLKIIBLK is nog een relatief jong label, maar ze hebben de voorbije jaren wel een indrukwekkende reeks bands binnengehaald. Denk maar aan Megadeth, Biohazard en sinds kort ook Forbidden. Veel vrienden van ons zitten ondertussen bij het label. Maar Mike was eigenlijk de verbindende factor. We kennen hem nog van de periode bij Roadrunner Records. Het grote verschil is dat Mike de band echt begrijpt. Hij kent onze muziek, maar ook ons als mensen. Het klinkt misschien vreemd, maar niet elke platenbaas is ook echt fan van de bands waarmee hij werkt. Sommigen bekijken het vooral als een zakelijke functie. Mike komt uit de metal- en hardcorescene, kent onze geschiedenis en begrijpt waar Hatebreed voor staat. Daardoor voelde deze samenwerking vanaf het begin heel natuurlijk aan.
De titel ‘Fatal Paradox’ klinkt behoorlijk donker. Waar verwijst die paradox precies naar?
Daar ga ik me niet aan wagen. Dat is echt Jamey’s terrein. Teksten, songtitels en concepten zijn zijn departement. Hij heeft altijd wel bepaalde thema’s of onderwerpen die hem inspireren bij een nieuwe plaat. Dus na dit interview zal ik je zijn telefoonnummer bezorgen en dan moet je hem dat zelf maar eens vragen. (lacht)
Sommige nummers klinken opvallend kwaad, zelfs naar Hatebreed-normen. Waar komt die extra agressie vandaan?
Kijk om je heen. Je kunt tegenwoordig bijna eender welk onderwerp aanwijzen. De wereld is op dit moment geen eenvoudige plek. Dat klinkt misschien als een algemeen antwoord, maar het is wel de waarheid. Daarnaast denk ik ook dat we gewoon enorm veel zin hadden om opnieuw muziek te maken. We hadden lang geen nieuw materiaal geschreven en waren daar echt hongerig naar geworden. Toen we er eenmaal invlogen, werd het vanzelf agressief, snel en intens. We vroegen ons voortdurend af hoe we de grenzen konden verleggen. We hadden een nieuwe platenmaatschappij, een gewijzigde bezetting en een volledig nieuwe plaat. Alles voelde fris aan. De uitdaging was: hoe kunnen we iets nieuws doen zonder de essentie van Hatebreed te verliezen? En hoe meer we daarover nadachten, hoe meer we terugkeerden naar onze oude roots, onze vroegere songstructuren en die directe aanpak. Hatebreed is gewoon woedende muziek. Muziek die recht uit de buik komt.
Wanneer weet jij eigenlijk dat een drumpartij écht als Hatebreed klinkt? Ben je daarin een perfectionist?
Tot op zekere hoogte wel. Maar ik hou er ook van om bepaalde dingen spontaan te laten ontstaan. Niet omdat ik daar iets zweverigs of artistieks van wil maken, maar omdat muziek moet kunnen ademen. Zoals ik al zei: wat je op plaat hoort, is nooit helemaal het eindpunt. Ik laat altijd ruimte om later nog dingen te ontwikkelen. Naarmate je nummers vaker speelt, groeien ze mee. Een song die op de plaat staat, klinkt na tientallen liveshows vaak net iets anders. Tijdens optredens probeer ik graag nieuwe dingen uit. Als een bepaald stuk eraan komt, denk ik soms: laat ik hier eens een andere feel proberen of een idee uitwerken waar ik al een tijdje mee speel. Zo ontstaan er kleine veranderingen die niet op de plaat staan, maar die live perfect aanvoelen. Op die manier blijven de nummers leven. Ze veranderen niet drastisch, maar net genoeg om elke show iets extra’s te geven.
Je vertelde net dat de nummers compacter en korter zijn geworden. Toch staat er met ‘No Love To Save’ ook een song van meer dan zes minuten op de plaat. Dat zijn we niet echt gewend van Hatebreed.
Dat klopt. Qua structuur is dat zeker een atypisch Hatebreed-nummer. Het staat tegen het einde van de plaat en zoals ik al zei, wilden we het album uiteindelijk wat langer maken. Daardoor zijn we met dat nummer meer beginnen experimenteren. Er zit een uitgebreid instrumentaal gedeelte in. Ik wil het geen jamsessie noemen, maar het heeft wel iets van een langere muzikale uitwerking die je bij ons niet vaak hoort. Op elke plaat proberen we wel iets nieuws uit. Je moet blijven experimenteren om als band te groeien. Op deze plaat zat die vernieuwing vooral in dat soort momenten.
Op ‘Sacrifice Seasons’ duikt plots John Tardy van Obituary op. En dat gaat veel verder dan een klassieke gastbijdrage. Hoe is dat tot stand gekomen?
Wie is er nu geen fan van Obituary? Wij zijn al een eeuwigheid gek op die band. In 2009 hebben we op ons coveralbum ‘For The Lions’ zelfs hun nummer ‘I’m In Pain’ gecoverd. Dat zegt eigenlijk al genoeg over hoeveel respect we voor hen hebben. Daarnaast hebben we in 2019 samen getourd. Dat was de eerste echte tour die we samen deden, buiten hier en daar eens een festival in Europa. Er is dus een combinatie van vriendschap, bewondering en een persoonlijke band. Toen we voor deze plaat iets speciaals wilden doen met een gastmuzikant, stond John eigenlijk meteen bovenaan ons lijstje. Voor zover ik weet, doet hij niet vaak gastbijdragen bij andere bands. Daarom maakte het het extra bijzonder. Zijn stem horen op een Hatebreed-nummer is echt iets unieks. Zijn typische stijl werkt verrassend goed met onze muziek. Dat is gewoon ontzettend cool. Hij vond het nummer sterk, had zin om eraan mee te werken en hopelijk kunnen we hem ooit ook live mee het podium op krijgen.
Heb je dan nooit stiekem gehoopt dat zijn broer Donald Tardy, toch een van de meest gerespecteerde drummers binnen extreme metal, ook nog een bijdrage zou leveren?
(lacht) Wat wil je? Dat ik mijn job vier minuten uit handen geef? Nee, eerlijk gezegd was dat nooit het plan. Vanaf het begin wilden we een gastzanger. John stond meteen bovenaan de lijst en eigenlijk hebben we nooit andere opties overwogen.
Je speelt ondertussen al 26 of 27 jaar in Hatebreed. Wat is vandaag de grootste uitdaging tegenover de periode toen je begin jaren 2000 bij de band kwam?
Leeftijd speelt natuurlijk een rol. Veel bands beginnen na verloop van tijd meer rustdagen in hun tourschema in te bouwen. Wij eigenlijk niet. Soms spelen we nog altijd zes shows per week. De grootste uitdaging is vandaag gezond blijven en ervoor zorgen dat je fysiek op niveau blijft. Naarmate je ouder wordt, moet je daar veel bewuster mee omgaan. Alle clichés blijken uiteindelijk waar te zijn: veel water drinken, voldoende slapen, vitaminen nemen, goed stretchen… Toen we jong waren, kon je tot diep in de nacht opblijven en de volgende dag gewoon weer het podium op stappen. We waren nooit de grootste feestbeesten, maar vroeger ging het er toch wat wilder aan toe dan vandaag. Nu moet je slimmer omgaan met je lichaam. Rust en herstel zijn veel belangrijker geworden.
Ik kan me voorstellen dat negentig minuten Hatebreed drummen elke avond behoorlijk zwaar is.
Absoluut. Het vraagt enorm veel uithoudingsvermogen. Je bent constant bezig met handen en voeten, het tempo ligt hoog en ik ben geen drummer die zachtjes op zijn kit tikt. Ik wil erin vliegen. Ik speel hard en met overtuiging. Dat is altijd mijn aanpak geweest. Daarom moet je fysiek goed in orde zijn. Je wilt jezelf volledig geven en niemand teleurstellen. Mensen betalen om je concert te zien en dan moeten ze ook het beste krijgen wat je kunt geven.
Heb je ooit halverwege een tour gedacht: dit haal ik nooit tot het einde?
Nee. Nooit. Zoals ze zeggen: op tour bestaan er geen ziektedagen. Zelfs als je ziek bent, moet je doorgaan. Bij ons is dat eigenlijk nooit een probleem geweest. Ik kan gerust voor de hele band spreken. Een show annuleren is voor ons nooit een optie geweest. Je zet door en doet wat je moet doen.
Je klinkt nog altijd bijzonder gedreven en enthousiast. Wat houdt dat vuur na al die jaren brandend?
Hoe langer je dit doet, hoe meer je beseft hoe bijzonder het eigenlijk is. Je wilt die carrière behouden. Niet alleen als muzikant, maar ook omdat je beseft hoe uitzonderlijk dit leven is. Ik ben ontzettend dankbaar dat ik dit mag doen. Dat betekent niet dat het vanzelf gekomen is. Er zit ongelooflijk veel werk achter, en ook veel opofferingen. We hebben jarenlang een groot deel van ons leven op de baan doorgebracht. Maar net daarom besef je hoeveel geluk je hebt om hiervan je beroep te kunnen maken. En als je dat eenmaal beseft, ga je er alles aan doen om het niet te verprutsen. Ik denk dat we allemaal beseffen hoe lang we dit ondertussen al doen, hoe loyaal onze fans zijn gebleven en wat we samen hebben opgebouwd. Alleen dat al houdt je scherp en gemotiveerd. Daarnaast is er natuurlijk altijd de nieuwe muziek. Nieuwe nummers brengen telkens opnieuw een bepaalde spanning en opwinding met zich mee. Begrijp me niet verkeerd: ik hou van onze oude songs. Die nummers zijn een beetje als je kinderen. Je speelt ze soms al vijfentwintig jaar en ook al voelt dat sommige avonden misschien wat routineus aan, je geeft nog steeds alles wat je hebt. Maar wanneer er een nieuwe plaat aankomt, is dat anders. Dan kijk je met frisse ogen naar het materiaal. Je bent enthousiast om die nummers live te spelen en je bent benieuwd hoe de fans erop zullen reageren. Het mooiste vind ik om te zien hoe een nummer groeit. Fans leren de teksten, weten precies wanneer de breakdown komt en beginnen op bepaalde momenten allemaal hetzelfde te reageren. Dat ontstaat niet van de ene dag op de andere. Dat groeit mee met de songs. Daar zit voor mij de echte drive. Elke nieuwe plaat brengt opnieuw dat gevoel van opwinding. Je kunt niet wachten om die nieuwe muziek los te laten op de wereld en te zien hoe mensen ermee aan de slag gaan.
Mensen zien vooral die negentig minuten op het podium, maar hoeveel werk komt daar achter de schermen nog bij kijken? Merchandise, transport, hotels, visa…
Gelukkig hebben we een sterk team achter ons dat de meeste logistieke zaken regelt. En trouwens, we spelen geen negentig minuten. (lacht) Onze set duurt meestal ergens tussen een uur en een uur en tien minuten. Wat de voorbije twee à drie jaar voor ons belangrijk werd, is de productie van de show naar een hoger niveau tillen. We investeren meer in licht, extra effecten, pyro, CO₂-kanonnen… zonder te overdrijven uiteraard. Je krijgt nog altijd dezelfde Hatebreed-show, maar we voegen er wel dingen aan toe. Die extra productie mag nooit afleiden van de muziek, maar ze kan een optreden wel net wat groter maken. Bij elke nieuwe plaat en elke nieuwe tour wil je dat stapje extra zetten. Je wilt de fans iets nieuws bieden. Niemand wil vijfentwintig jaar lang exact dezelfde show brengen. Daarom moet je blijven experimenteren. Nieuwe ideeën uitproberen en de liveshow fris houden.
Op 21 november spelen jullie in België. Volgens mij is de hoofdprijs van een wedstrijd een meet-and-greet met Hatebreed. Dat is trouwens de laatste show van de tour.
Echt? Dat wist ik zelfs niet. (lacht) In Amerika doen we regelmatig meet-and-greets. Dat is tegenwoordig heel gebruikelijk geworden. Fans krijgen dan extra foto’s, handtekeningen, posters of andere exclusieve spullen. We hebben daar ook al enkele keren mee geëxperimenteerd in Europa en ik denk dat je ons dat in de toekomst vaker zult zien doen. Dus als er in België eentje gepland staat: geweldig.
Zijn die vip-packages een nodig extra inkomen voor een band.
We hebben dat ook al in Australië gedaan. En zoals ik zei: in Amerika doen heel veel bands tegenwoordig zoiets. Langzaam zie je dat ook meer opduiken in andere delen van de wereld. Dat verschilt enorm van band tot band. Iedereen hanteert zijn eigen aanpak. Sommige mensen hebben kritiek op betaalde meet-and-greets, maar vandaag zijn ze voor veel bands bijna een noodzaak geworden. Touren wordt elk jaar duurder. Denk aan tourbussen, brandstof, de crew, showproductie en alle andere kosten die erbij komen kijken. Voor veel groepen is een meet-and-greet een manier om een deel van die kosten te compenseren. De ene band vraagt honderd dollar, een andere vijfhonderd dollar en sommige bands doen het gratis. Daar bestaat geen vaste regel voor. Maar het is wel iets wat tegenwoordig in zowat alle muziekgenres steeds vaker voorkomt.
Bedankt alleszins voor je tijd en moeite.
Geen probleem. En kom op 21 november gerust hallo zeggen.



